Waterpolo spelregels

KNZB reglementen juli 2017>>


Op deze pagina staan de hoofdlijnen en bijzondere gevallen uit het KNZB reglement te lezen.

1. De Scheidsrechter
Allereerst geldt: zodra de scheidsrechter fluit stopt het gehele spel en kijkt iedereen naar de scheidsrechter.  
De scheidsrechter geeft namelijk aan:
1. -Voor welke ploeg de vrije bal is (dit doet hij altijd),
2. -Welke speler een overtreding heeft begaan en
3. -Of hij/ zij wel of niet uitgesloten wordt (U20 = P-tje = persoonlijke fout, UMV of UMV4).

In het eerste geval zal de scheidsrechter met zijn arm in de richting wijzen van het doel waarop de ploeg die de vrije bal mag nemen aanvalt. Als blauw dus een vrije bal krijgt wijst de scheidsrechter in de richting van het witte doel.

In het tweede en derde geval zal de scheidrechter d.m.v. een fluitsignaal en hand- en armbewegingen laten weten dat een speler wordt uitgesloten van deelname, waarbij ook het nummer van de cap van de desbetreffende speler wordt aangegeven.


Een aantal herkenbare tekens;
-- ‘Staan’  (tik met de hand tegen de voet) Alleen de keeper mag dit binnen zijn doelgebied.  
-- ‘Bal onder water’  (naar beneden drukkende beweging met de hand).
-- ‘Strafworp’  (vijf vingers in de lucht).
-- ‘Corner’  (hand richting doel) en deze corner wordt genomen op de 2 meter lijn.
-- ‘UMV’  (Uitsluiting Met Vervanging) (draaiende beweging met de handen).  
-- ‘Het opeisen van de bal’  (de scheidsrechter vormt met zijn beide handen de vorm van de bal).
.

Het Speelveld
De 4 meter-zone is vervangen voor een 5 meter-zone.
De 7 meter- zone is komen te vervallen (plaatje).

Speelveld:
- Witte pionnen zijn de  “lijnen” van speelveld 
  doellijnen én middellijn).
- Rode pion is de 2 meter zone.
- Gele pion is de 5 meter zone





2. Wisselen

In het bad springen vanaf een willekeurige plekdoor een wisselspeler mag alleen:
  1. Tijdens de rust
  2. na een doelpunt
  3. Bij het vervangen van een bloedende of geblesseerde speler, mits deze blessure door de scheidsrechter erkend is (dus niet zomaar omdat je ziet dat een teamgenoot geblesseerd is!)
Tijdens het spel mag er alleen gewisseld worden bij het betreffende team, in de hoek van het veld, tegenover de jurytafel.



3. Doelpunten maken
  1. De bal moet de doellijn geheel gepasseerd zijn!
  2. Er mag met elk lichaamsdeel gescoord worden, behalve met gebalde vuist.
  3. De bal moet altijd door twee spelers zijn aangeraakt voor er gescoord mag worden.
     behalve bij:
     -- een strafworp
     -- een direct schot na een buiten de vijf meter gegeven vrije worp.



4. Vrije worp
Een vrije worp moet genomen worden op de plek van overtreding of daarachter. (Als wit een vrije worp krijgt mag deze wel dichter naar de eigen keeper, maar nooit dichter naar de blauwe keeper toe worden genomen.) 
Regel is dat van het team dat een vrije worp toegekend krijgt de speler die het dichtst bij de bal is deze moet nemen.
Let hier wel op de bovenstaande regel: als de plek van de overtreding meer naar achter was moet de bal daarheen gegooid worden door de dichtstbijzijnde speler.

Er mag niet te lang gewacht worden met het nemen van een vrije worp, anders is de vrije worp voor de tegenpartij.




5. Gewone fouten
Dit zijn fouten waarvoor een vrije worp aan de tegenpartij zal worden toegekend.

Dit zijn onder andere:
  1. De bal onder water duwen wanneer je wordt aan gevallen. Als jou hand op de bal ligt krijg jij de fout toegekend, ook als jou hand door een tegenspeler wordt ondergeduwd. 
  2. Het met gebalde vuist stompen van de bal. Alleen de keeper mag dit binnen zijn doelgebied.
  3. De bal met twee handen aanraken. Binnen de 5 meter-zone wordt dit bestraft met een strafworp. Ook hier geld, dat de keeper dit wel mag binnen zijn doelgebied.
  4. De bewegingsvrijheid belemmeren van een speler die de bal niet houdt.  (Tegenhouden, op de benen, rug of schouders zwemmen, etc. Zie fig. 11, 12). Gebeurt dit bij balbezit of ‘doodspel’ dan wordt dit bestraft met een U20
  5. Tijd rekken. (In het algemeen en in het bijzonder bij het nemen van een vrije bal.)
 
De bal ‘houden’ betekend: het opnemen, vasthouden of aanraken van de bal (fig. 4 en 5).
Met de bal ‘dribbelen’ valt hier niet onder (fig. 6).




6. Uitsluiting Met Vervanging  (4)
De in de praktijk belangrijkste reden voor een UMV (4) blijkt gebrek aan respect voor de scheidsrechter te zijn. Ook schelden, agressief gedrag zoals slaan en schoppen (al dan niet tegen een tegenspeler of scheidsrechter) zijn UMV-fouten.

De speler die de UMV krijgt moet het spel voor de duur van de wedstrijd verlaten maar mag wel na 20 seconden vervangen worden door een teamgenoot.
Bij een UMV4 mag na 4 minuten netto speeltijd de speler vervangen worden.




7. Tijdelijk uitsluiting (ook wel U20 of P-tje)
Als de speler tijdelijk uitgesloten wordt geeft de jury na het verstrijken van de straftijd aan dat hij/zij het veld weer in mag d.m.v. de witte óf blauwe vlag  De speler mag ook weer deelnemen aan het spel als de tijd nog niet is verstreken, als het team van de bestrafte speler de bal verovert en de scheidsrechter de richting aangeeft.

Een aantal uitsluitingsfouten zijn:
  1. Elke gewone overtreding in 'dood spel' is een zware overtreding en leidt tot tijdelijke uitsluiting. (‘Dood spel’ is de tijd direct na een doelpunt of na een periode.)
  2. De bal aanraken of hinderen bij een vrije worp voor een tegenstander.
    (Zie bijv. fig.13 en 14)Als er gefloten wordt bijvoorbeeld tegen blauw, dan blijft blauw van de bal af op straffe van een U20.
  3. Waterspatten
  4. Storen bij het nemen van een vijf meter worp (bijvoorbeeld door het niet in acht nemen van de twee meter afstand).
  5. Te vroeg terug komen als je de al eerdere U20 nog niet heb uitgezeten. De tijd wordt dan bij je oude straftijd opgeteld
  6. Vasthouden, onderduwen of naar beneden trekken van een speler die de bal niet houdt.
Indien spelers van beide ploegen een uitsluitingsfout begaan worden zij beiden uitgesloten en wordt er een neutrale inworp gegeven. Dit wil zeggen dat van elke ploeg een speler op ongeveer twee meter van de scheidsrechter gaat liggen. Deze laat de bal voor de spelers op het water vallen.

De beide uitgesloten spelers mogen pas na de neutrale worp terug keren, als één van de beide ploegen de bal verovert en vervolgens weer wisseling van het balbezit plaats vindt. (Als blauw dus de neutrale inworp 'wint' blijven beide spelers uitgesloten. Zodra echter wit in bal bezit komt mogen beide spelers weer terugkeren in het spel.)




8. Strafworp fouten
  1. Verreweg de belangrijkste fout  is de overtreding, waarbij binnen de 5 meter-zone de verdedigende speler een fout maakt waardoor vermoedelijk een doelpunt wordt voorkomen.
  2. Grof handelen binnen de 5 meter-zone leidt tot een UMV én een strafworp.
  3. Het door een uitgesloten speler zich opzettelijk bemoeien met het spel. Hierbij moet je denken aan de bal spelen, te vroeg terug komen met als doel een doelpunt te voorkomen, aanwijzingen geven aan de eigen spelers ( Let op! Een uitgesloten speler mag zich ook niet vanaf de bank met het spel bemoeien!) of commentaar op de scheidsrechter.
  4. Het in het speelveld komen door een uitgesloten speler tijdens de laatste minuut. De speler krijgt een UMV en een strafworp tegen.
  5. Het door een onrechtmatige speler (achtste speler) in het speelveld komen. Deze onrechtmatige speler krijgt een UMV en zijn team een strafworp tegen. Dit geldt niet bij het begin/hervatten van het spel. Dan telt de scheidsrechter eerst de spelers.
  6. Het door een speler/ keeper onderduwen van de bal in de 5 meter-zone als hij wordt aangevallen. 
  7. Het verkeerd terug komen in het spel van een speler (betekend strafworp tegen en U20 voor de speler) doordat:
        > Hij/zij te vroeg na een U20 terug komt.
        > Hij/zij afzet van de kant na een U20
        > Een bestrafte speler (heeft al een UMV (4) of 3x een U20 gehad).
        > Of door een verkeerde wissel (niet in hoek gewisseld tijdens het spel)



9. Het nemen van een strafworp

  1. De strafworp mag door elke willekeurige speler worden genomen. De keeper mag de strafworp echter niet nemen, omdat hij de middenlijn niet mag passeren.
  2. De speler mag de strafworp vanaf elk willekeurig punt op de vijf meter lijn nemen.
  3. De overige spelers bevinden zich buiten de 5 meter-zone en op minimaal twee meter afstand van de speler die de vijf meter worp gaat nemen.
  4. De scheidsrechter geeft met een fluitsignaal en een handbeweging aan dat de strafworp genomen mag worden. De speler die de strafworp neemt heeft zijn hand al aan de bal en op het fluitsignaal gooit de speler de bal ogenblikkelijk en in een ononderbroken beweging rechtstreeks naar het doel (zie fig. 23 en 24).




10. Buitenspel
De buitenspellijn is de twee meter lijn. Een speler is al 'buitenspel' als hij/zij zich in het twee meter gebied bevindt. De scheidsrechter zal echter pas fluiten als de speler wordt aangespeeld, en hij fluit dan voor een gewone fout. Als de speler zich in het twee meter gebied bevindt en hij/zij speelt een medespeler aan die direct op het doel schiet voordat  hij/zij het twee meter gebied heeft verlaten is dat geen gewone fout.
Als de speler zich in het twee meter gebied bevindt en jou team doet een doelpoging anders dan direct, dan ben je wel in overtreding.
 



11. Corner
Als de bal het spel over de achterlijn verlaat, nadat deze als laatste door de keeper van het verdedigende team is aangeraakt, krijgt het aanvallende team een corner.
Deze wordt aan de zijkant bij de rode pion genomen, aan de kant waar de bal het spel verlaten heeft. Soms bepaalt de scheidsrechter aan welke kant de corner genomen wordt

Bekijk hier het complete KNZB waterpolo regelement